In het jaar 1932, midden in de Grote Depressie, worden twee onwetende erfgenamen van de hogere kringen zonder enige overlevingsvaardigheden overgehaald om vanuit het miljonairsdistrict Manhattan naar de staat Washington te verhuizen. Nadat ze per ongeluk een huurmoordenaar hebben gedood die hen achterna is gestuurd, raken ze verdwaald in de wildernis met een prijs op hun hoofd. Een weinig enthousiaste alliantie met een misantropische bergbewoner met een duister verleden is mogelijk hun enige kans op overleving.
Een wetenschapper creëert een tijdmachine en vermoordt zijn jongere zelf om te zien wat er zou gebeuren. En dat door zichzelf geobsedeerde, misantroop, gekke genie van een wetenschapper is Tim Travers. En het universum was al erg genoeg met slechts één van hem.
Het wordt de tijdreizigerparadox genoemd. Waarin een wetenschapper een tijdmachine maakt en zijn jongere zelf doodt. Dus nu bestaat een man die niet zou moeten – niet kan – bestaan, op de een of andere manier wel. Dat is de paradox, en paradoxen zijn onmogelijk.