Het is Engeland in de jaren dertig van de negentiende eeuw. De Londense haven wemelt van de schepen en matrozen die hun fortuin hebben verdiend in vreemde landen. Sweeney Todd, een kapper uit Fleet Street, wacht op de komst van mannen wiens eerste bestemming een goede, gladde scheerbeurt is. Voor de meesten zal het de laatste keer zijn dat ze levend worden gezien. Met behulp van een speciaal ontworpen kappersstoel stuurt Sweeney Todd zijn slachtoffers naar de kelder beneden, waar hij hen berooft van hun nieuw gevonden fortuinen en hun stoffelijke resten in kleine stukjes hakt. Ondertussen geniet mevrouw Lovett van een bruisende ruil voor haar populaire Penny Meat Pies.
Een leegstaand huis (nummer 17) wordt tijdelijk bewoond door een aantal ongure personen van een bende die net een juwelenroof hebben gepleegd. Detective Barton (John Stuart) is de dieven op het spoor en ontdekt de schuilplaats van de bende. In het huis vinden allerlei mysterieuze zaken plaats. Die leiden uiteindelijk tot een climax en ingewikkelde ontknoping van het verhaal. Dit is een van Hitchocock's vroege films, waarin toch al duidelijk de hand van de meester te zien is.