Een prachtige onderdanige slavin komt uit haar vergulde kooi tevoorschijn om zich te onderwerpen aan de langzame en weloverwogen aandacht van haar verrukkelijke minnares, die delicate martelingen op haar zachte witte vlees laat regenen.
Op de begraafplaats van Naarièges bewaakt Mino de poorten en zorgt hij voor de doden, maar ook voor de rouwenden. Naast hem: een geest, een weduwe en een enorme spin. Ze zijn druk bezig, in paniek, bloeien op, zijn smoorverliefd.